Rookpreventie Jeugd brengt sjoemelsigaret voor Europees Hof van Justitie

22 september 2020

Rookpreventie Jeugd brengt sjoemelsigaret voor Europees Hof van Justitie

Dankzij Rookpreventie Jeugd buigt het Europees Hof van Justitie zich nu over de sjoemelsigaret. Het Hof moet beoordelen of de door de tabaksindustrie bedachte methode voor het meten van het gifgehalte van sigaretten door de beugel kan.

Rookpreventie Jeugd (RPJ) heeft in 2016 samen met longpatiënten geprobeerd de tabaksindustrie te vervolgen voor moord en dood door schuld omdat zij opzettelijk sigaretten extreem verslavend maakt en tegelijkertijd een meetmethode bedacht die de schadelijkheid van de sigaretten verhult. 

Tabaksfabrikanten hadden namelijk de overhand in een commissie die de standaardmeetmethode (de ISO-methode) kon bepalen voor de hoeveelheid teer (T), nicotine (N) en koolmonoxide (CO) in sigarettenrook. Door kleine gaatjes in de filters van sigaretten te maken, konden de sigarettenfabrikanten de officiële meetwaarden laag houden. In werkelijkheid sluiten rokers die gaatjes met mond en vingers af, waardoor zij veel meer teer, nicotine en koolmonoxide binnenkrijgen dan wettelijk is toegestaan.

Een zaak van de wetgever

Het Openbaar Ministerie zag geen mogelijkheid de tabaksindustrie in deze zaak te vervolgen en uiteindelijk oordeelde ook de rechter dat het aan de overheid is om hiertegen op te treden. De rechtbank oordeelde dat SRPJ gelijk heeft met haar stelling dat de sigaretten die tabaksfabrikanten verkopen veel schadelijker zijn dan de gehanteerde meetmethode doet geloven, maar dat zij daarvoor de wetgever moet aanspreken die verantwoordelijk is voor de keuze van de meetmethode. 

Dat heeft RPJ vervolgens gedaan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die de tabakswet moet handhaven, aan te spreken op haar wettelijke verantwoordelijkheid ter bescherming van de volksgezondheid. In die procedure wist RPJ zich ondersteund door 14 andere organisaties (zie bijlage).

Verzoek tot handhaving door de NVWA

Roken van sigaretten is schadelijk voor de gezondheid. De wettelijk vastgelegde maximale TNCO-emissie (10 mg teer, 1 mg nicotine, 10 mg koolmonoxide) doet daar niet aan af, maar geeft de roker een zekere mate van bescherming. Echter, uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat de feitelijke hoeveelheid gif die een roker binnen krijgt, tenminste twee- tot driemaal hoger is dan maximaal is toegestaan.

RPJ meent dat de NVWA daarom moet optreden tegen dit gevaar voor de volksgezondheid. Daarom heeft RPJ bij de NVWA een verzoek ingediend tot handhaving van de wettelijk toegestane maximale TNCO-emissies.

De NVWA heeft dit verzoek niet gehonoreerd, met het argument dat de wettelijk vastgelegde ISO-methode geen (substantiële) overschrijdingen laat zien. Tegen dit afwijzende besluit heeft de SRPJ bezwaar gemaakt bij de staatssecretaris van VWS. De staatssecretaris volgde het standpunt van het NVWA en reageerde afwijzend.

RPJ heeft hier tegen beroep aangetekend bij de rechtbank in Rotterdam, daarin bijgestaan door mr. Phon van den Biesen. Zij vroegen de rechtbank ook om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een aantal zogeheten prejudiciële vragen voor te leggen.

Voorlopig oordeel van de rechtbank: prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie

Op 7 februari 2020 heeft de rechtbank Rotterdam een baanbrekende uitspraak gedaan. De rechtbank twijfelt sterk of de huidige wettelijke methode waarmee de uitstoot van sigaretten wordt gemeten (de ISO-methode), wel uitkomsten oplevert die in overeenstemming zijn met andere wettelijke regelgeving. De rechtbank meent dat hierdoor ernstig afbreuk wordt gedaan aan de verplichting van de EU en de Nederlandse Staat om de volksgezondheid te beschermen. Daarom vraagt de rechtbank via prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie (EHvJ) om een nader oordeel.

Het Hof van Justitie kan bestaande Europese regels vernietigen en kan ook opdracht geven aan de Europese Commissie om dit probleem in de wetgeving op te lossen. De rechtbank vraagt het Hof ook of Nederland eventueel zelf kan besluiten om de meetmethode te vervangen door een betere, zolang dat nog niet op EU-niveau gebeurt. 

Procedure bij het Europees Hof van Justitie

Het Hof heeft de zaak inmiddels in behandeling genomen. Alle betrokken partijen – naast Rookpreventie Jeugd en ondersteunende organisaties, zijn dat de tabaksindustrie (specifiek de Vereniging Nederlandse Sigaretten- en Kerftabakfabrikanten, VSK), alle lidstaten, de Europese Commissie, het Europese Parlement en de Europese Raad van Ministers – hadden tot 20 september gelegenheid hun zienswijze (memorie) over de prejudiciële vragen in te dienen. De Europese instellingen zijn verplicht een zienswijze in te leveren.

De Memorie van Rookpreventie Jeugd betoogt in de kern dat het juridisch gezien om drie zaken gaat: 

  • de ISO-methode is ondeugdelijk want meet niet wat wettelijk moet worden gemeten
  • de ISO-bepalingen in de EU richtlijn zijn in strijd met artikel 5.3 FCTC tot stand gekomen (dat bepaalt dat tabaksontmoedigingsbeleid niet beïnvloed mag worden door de tabaksindustrie).
  • de ISO-methode als vorm van wetgeving is niet toegestaan.

Na de schriftelijke ronde volgt nog een mondelinge behandeling, waarin alle partijen (dus ook SRPJ) kunnen reageren op de zienswijzen van de andere partijen. Daarna volgt het oordeel van het Hof. Over het algemeen duren dit soort procedures meerdere jaren. Een bijzondere omstandigheid is dat volgend jaar de EU Tabaksproductenrichtlijn wordt geëvalueerd. De zaak van SRPJ zou daarbij een rol kunnen spelen.

Tot besluit: is de huidige sigaret legitiem?

De tabaksindustrie heeft in de jaren negentig een methode ontwikkeld waardoor veel minder giftige stoffen in tabak worden gemeten dan wat een roker feitelijk inhaleert. De tabaksindustrie is erin geslaagd om deze zogeheten ISO-methode in de EU Tabaksproductenrichtlijn te verankeren.

Het allerbelangrijkste is nu dat voor het eerst een rechtbank de legitimiteit van de meetmethode ter discussie stelt en aan het EHvJ vraagt om hierover een nader oordeel te geven. Daarmee ligt de vraag op tafel of de binnen de EU verkochte sigaretten voldoen aan de wettelijk vastgelegde minimumeisen ter bescherming van de volksgezondheid.